Grenswaarden van microbiologische agentia

Print
Fysische factoren
Na een inleiding over micro-organismen en de risico’s hiervan, nu in deel 3 een overzicht van de grenswaarden van microbiologische agentia.

Grenswaarden levensvatbare micro-organismen
Er zijn voor levende organismen geen wettelijke grenswaarden vastgesteld en er is binnen afzienbare tijd ook geen zicht op dat deze kunnen worden afgeleid. In december 2012 heeft de Gezondheidsraad hierover een briefadvies uitgebracht aan de minister. Hierin concludeert zij dat één gezondheidskundig onderbouwde advieswaarde voor alle biologische agentia niet mogelijk is. Zelfs voor specifieke micro-organismen die infecties veroorzaken, is het volgens de Gezondheidsraad ook niet mogelijk om in de nabije toekomst niveaus vast te stellen waaronder geen of slechts minimale effecten voor de gezondheid te verwachten zijn. De oorzaak hiervan is dat er voor alle micro-organismen te weinig kennis en informatie is over de blootstelling en over blootstelling-respons-relaties.

Om de beroepsmatige blootstelling aan levensvatbare micro-organismen toch enigszins te kunnen beoordelen en toetsen, zijn er vanuit de praktijk enkele vuistregels opgesteld die regelmatig worden gebruikt. Let op: geen van deze vuistregels is gezondheidskundig onderbouwd en ze mogen derhalve niet worden beschouwd als veilige grenswaarden. Hieronder worden aan aantal van die beschikbare vuistregels benoemd.

Vuistregels opgesteld door de NVvA/NVAB
De vuistregels van NVvA/NVAB dateren al van 1989 en moeten eigenlijk als verouderd worden beschouwd. Desondanks worden ze in de praktijk nog vaak aangehaald. Het aantal kolonievormende eenheden is een maat voor de concentratie aan bacteriën, schimmels en gisten die in de lucht, in materie of op een oppervlakte is aangetroffen. Uit het aantal te tellen kolonies kan de concentratie aan bacteriën, schimmels en gisten in het monster worden berekend.

Gezondheidskundige grenswaarden van micro-organismen in lucht (NVvA/NVAB vuistregel uit 1989)

Gezondheidskundige grenswaarde

Aantal KVE/m3 ruimtelucht

Totaal aan bacteriën en schimmels

Max. 10.000

Per soort bacterie, gisten en schimmels

Max. 500

Voor gram-negatieve bacteriën

Max. 1000

Het is echter niet zo dat er bij blootstelling onder deze niveaus geen risico’s zouden bestaan. De kans op een zeker gezondheidseffect hangt namelijk niet zozeer samen met het aantal kolonievormende eenheden in de lucht, maar in veel sterkere mate met de soort bacterie of schimmel. Daarbij geldt ook dat het van de weerstand en conditie van de personen afhangt of zij geïnfecteerd kunnen worden. Bovengenoemde grenswaarden kunnen daarom slechts dienen als globale arbeidshygiënische vuistregels bij de beoordeling van meetgegevens.

Amerikaanse normen (ACGIH) voor micro-organismen
De Amerikaanse vereniging van Arbeidshygiënisten (ACGIH) stelt inzake blootstelling aan schimmels dat de binnenluchtconcentraties in het algemeen lager moeten zijn dan de buitenluchtconcentraties. Daarnaast mag er geen micro-organismesoort worden aangetroffen die normaal niet aanwezig is in de buitenlucht (in een overeenkomstig seizoen). Voor andere micro-organismen zou een soortgelijke benadering kunnen gelden. Voor biologische infectieuze agentia heeft de ACGIH geen grenswaarden.

Scandinavische norm (NEG) voor micro-organismen
In Scandinavië heeft de Nordic Expert Group (NEG) vastgesteld dat schimmels bij ongeveer 105 kiemen per kubieke meter lucht log- en ademhalingsklachten veroorzaken. Dit is vooral relevant voor hoge risico omgevingen zoals in de agrarische sector en in bijvoorbeeld de composterings- en recyclingindustrie.

Praktijkwaarden voor binnenmilieu (VLA – Kring Binnenmilieu Advies)
Naast bovengenoemde vuistregels wordt ook gewerkt met de richtwaarden die zijn opgesteld door de Kring Binnenmilieu Advies (KBA) van de Vereniging Leveranciers Luchttechnische Apparaten (VLA). Deze kunnen worden gebruikt bij de interpretatie van gegevens over individuele soorten in de lucht in werkruimtes.

Richtwaarden ruimtelucht (aantal KVE/m3 ruimtelucht)
Hierbij wordt qua gevaareigenschappen een onderscheid gemaakt in drie groepen micro-organismen.

 

Groep 1: schadelijkheid

+/- matig

Groep 2: schadelijkheid

behoorlijk

Groep 3: schadelijkheid

++ groot

Goed: < 500 KVE/m3

Matig: 500 – 1000 KVE/m3

Slecht: > 1000 KVE/m3

Goed: < 100 KVE/m3

Matig: 100 – 200 KVE/m3

Slecht: > 200 KVE/m3

Goed: < 10 KVE/m3

Matig: 10 – 20 KVE/m3

Slecht: > 20 KVE/m3

Micrococcus spp

Staphylococcen (overig)

Bacillus (overig)

Niet geïdentificeerde

Schimmelsoorten

Acremoniumsoorten

Aspergillus (overig)

Aureobasidium pullulans

Alternaria

Chaetomium

Cladosporium

Eurotium soorten Fusarium

Mucor

Penicillium (overig)

Rhizopus

Stachybotrys

Candida (overig)

 

Gisten:

Candida (overig)

Rhodutorula

 

Bacteriesoorten

Bacillus anthracis

Enterobacteriaceae

Legionellasoorten

Micromonospora

Microbispora

Staphylococcus aureus

Thermofiele actinomyceten

 

Schimmelsoorten

Aspergillus fumigatus

Aspergillus niger

Aspergillus flavus

Penicillium marneffei

Cladosporium bantianum

 

Gisten:

Candida albicans

Indicatororganismen voor de aanwezigheid van stof en huidflora.

Hoge waarden veroorzaken een bedompte lucht.

Een hoge concentratie stof kan irritaties aan de ogen en slijmvliezen veroorzaken.

Problematisch bij mensen met overgevoeligheid zoals astma of COPD-patiënten.

Vooral aandoeningen aan de luchtwegen en ogen.

Veroorzakers van infecties en allergieën aan onder meer de huid, neus, oren, ogen en longen.

Behalve toetsing van de individuele soorten in deze tabel, moet het totaal aantal gemeten KVE gerelateerd worden aan de buitenluchtconcentraties en de omstandigheden ten tijde van de metingen die hierop van invloed zouden kunnen zijn.

Voor verschillende ‘branches’ worden daarbij verschillende meetprotocollen onderscheiden.
-     de utiliteitssector; kantoorgebouwen
-     de gezondheidszorg
-     scholen
-     de woningsector
-     de industrie

Betrekkelijkheid van normen voor levende micro-organismen
Anders dan bij chemicaliën kunnen micro-organismen in aantal door groei snel toenemen of door afsterven in aantal snel afnemen. Een meetwaarde geeft dus de momentane concentratie aan die in de tijd sterk kan variëren. Bij de nauwkeurigheid moet dan ook gedacht worden aan ordegroottes (factoren 10).

Normen voor endotoxines
Voor blootstelling aan endotoxines is in 2010 een voorstel voor een gezondheidskundige grenswaarde gepubliceerd door de Gezondheidsraad. Als gezondheidskundige grenswaarde is een daggemiddelde blootstelling voorgesteld van 90 EU/m3 (EU = Endotoxine Unit, 1 Unit is ongeveer 0,1 ng), gebaseerd op het voorkomen van acute effecten op de luchtwegen. Dit voorstel van de Gezondheidsraad is nog niet formeel omgezet in een wettelijke grenswaarde.

Normen voor exotoxines en mycotoxines
In theorie is het mogelijk voor deze toxines een grenswaarde vast te stellen. Gezien de grote diversiteit aan exotoxines en het gebrek aan onderzoeksgegevens over effecten van blootstelling aan dergelijke stoffen via de omgevingslucht, is normstelling in de praktijk echter meestal niet mogelijk. Voor situaties waarin sprake is van een dergelijke blootstelling, is de vanuit gezondheidskundig oogpunt enige acceptabele oplossing: ervoor zorgen dat mensen er niet aan worden blootgesteld .

Aflatoxine is het enige toxine waarvoor ooit een Nederlandse grenswaarde is voorgesteld op basis van onderzoek naar het risico op het ontwikkelen van levertumoren (de oude wettelijke grenswaarde: 0,005 µg/m3 voor een 8-urige werkdag).

Normen voor allergenen
De normstelling voor allergenen staat nog in de kinderschoenen. Tot op dit moment zijn alleen voor beroepsmatige blootstelling aan tarwemeel door de Gezondheidsraad referentiewaarden voorgesteld op basis van de allergene eigenschappen. Het voorstel bedroeg destijds 0,12 mg/m3 op basis van inhaleerbaar stof. Deze grenswaarde is inmiddels al enkele jaren in behandeling bij de SER. Enkele andere inhaleerbare allergenen grenswaarden zijn nog in ontwikkeling bij de Gezondheidsraad.

Voor allergenen van microbiële oorsprong zijn in Nederland nog geen grenswaarden vastgesteld.

Meten van micro-organismen
Bij verschillende bedrijven kan meetapparatuur gehuurd worden waarmee luchtmonsters of contactmonsters genomen kunnen worden. Vervolgens worden de ‘strips’ of agarplaatjes teruggestuurd naar een laboratorium waar de concentraties kunnen worden bepaald. Wel van belang is van te voren precies te bepalen waar gemeten gaat worden (zie ook boven bij de VLA-protocollen).

Soms kan in bepaalde werksituaties een simpeler (en goedkoper) alternatief zijn om de stofbelasting in kaart te brengen of de belasting door blootstelling aan aerosolen in de lucht. Als er nagenoeg geen blootstelling aan stof of aerosolen is, is de kans op blootstelling aan micro-organismen of hun uitscheidingsproducten ook gering.

Serie over micro-organismen
In deze serie van zeven artikelen wordt ingegaan op micro-organismen, de risico’s die zij kunnen vormen in arbeidssituaties en de beheersmaatregelen die daar tegen genomen kunnen worden.

In het eerste artikel over micro-organismen wordt besproken wat micro-organismen zijn, hun rol, de vorm en afmetingen, de naamgeving en de groeicondities.

In het tweede artikel over micro-organismen wordt ingegaan op de indeling in soorten werkzaamheden, de gevarenklassen en de mogelijke gezondheidseffecten na blootstelling aan micro-organismen.

In het derde artikel over micro-organismen wordt ingegaan op de normen voor microbiologische agentia.

In dit vierde artikel over micro-organismen wordt beschreven welke overdrachtswegen er zijn en hoe de risico’s van blootstelling aan micro-organismen in kaart kunnen worden gebracht.

In het vijfde artikel over micro-organismen wordt ingegaan op risicobeheersmaatregelen.

In het zesde artikel over micro-organismen worden enkele praktijksituaties geschetst. Tevens wordt in dit artikel ingegaan op verschillende veel voorkomende zoönosen en op Legionella.

Het zevende artikel over micro-organismen zal gaan over bacteriegroei bij droogte.