Stof en beheersmaatregelen

Print
Gevaarlijke stoffen
Neem de juiste maatregelen bij het werken met stof
Werken met stof kan behoorlijke risico’s met zich meebrengen, zowel op de korte als de lange termijn. Hoe risico's beheersen? Lees het in dit uitgebreide artikel over welke beheersmaatregelen te nemen bij het werken met stof.

Dit is het derde artikel in een reeks van vijf over stof. De komende weken volgen nog twee artikelen over wettelijke verplichtingen en het risico op stofexplosies.

In het algemeen gelden bij het werken met stof de principes van de arbeidshygiënische strategie. De arbeidshygiënische strategie houdt in dat bij het toepassen van beheersmaatregelen een hiërarchische volgorde dient te worden aangehouden in afnemende volgorde.

Deze volgorde is:

A. Elimineren van de bron;

B. Maatregelen nemen in de overdrachtsweg van bron naar mens: maatregelen aan de bron en direct om de bron;

C. Maatregelen nemen in de omgeving;

D. Organisatorische maatregelen nemen;

E. Persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken.

A. Elmineren van de bron

Als eerste stap geldt het voorkómen van het ontstaan van stof.

Dit zou kunnen door andere technieken te gebruiken waarbij geen stof meer ontstaat. Denk bijvoorbeeld aan het niet meer werken met stoffen in vaste vorm, maar overstappen op vloeistoffen. In vloeistoffen zijn de deeltjes veel sterker geboden en kunnen zich bijgevolg minder gemakkelijk verspreiden (tenzij er veel aerosolen ontstaan). Zo zal bij het overgieten (rustig schenken) van vloeistoffen veelal minder verspreiding ontstaan dan bij het leegstorten van zakken met vaste stoffen (poeders).

Ook zou er voor gekozen kunnen worden zeer fijne stoffen te vervangen door stoffen met een grote korrelgrootte of door granulaten. Deze werkwijze is in extruderbedrijven ingevoerd.

B. Maatregelen in de overdrachtsweg van bron naar mens

Hierin is onderscheid te maken in maatregelen aan de bron en maatregelen direct om de bron.

a. Maatregelen aan de bron. Door deze aanpak kunnen gevaarlijke stoffen zich minder gemakkelijk verspreiden, waardoor de kans op blootstelling afneemt en daarmee ook de risico’s.

Een voorbeeld: het binden van gevaarlijke stoffen aan een vaste drager of de gevaarlijke stof insluiten in minder gevaarlijk materiaal. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de tonerstoffen in printers en kopieermachines.

Kiezen van andere werkmethodes: bijvoorbeeld geen zakken met product leegschudden in mengketels in open systemen.

b. Maatregelen direct om de bron.

Voorbeelden van maatregelen direct om de bron zijn: omkasten, afschermen en afzuigen direct bij de bron, nathouden. Bij dit type maatregelen worden direct om de bron heen voorzieningen getroffen. Voorbeelden zijn:

  • Bij omkasten wordt de bron geïsoleerd door gebruik te maken van gesloten systemen. De bron is door de omhulling geheel afgescheiden van de omgeving en vrijkomende stoffen blijven binnen de omhulling en kunnen niet tot blootstelling bij medewerkers leiden. Aanvullend kan de kast/installatie op een lichte onderdruk (minimaal 20 Pa) worden gehouden om toch uittreding via spleten en kieren van stoffen naar de werkomgeving te voorkómen.
  • Het nat houden van een stof tijdens de bewerking of opslag of tijdens schoonmaken (om stuiven en verspreiding te voorkomen). Voorbeelden bij ertshavens en bij de betonmortelindustrie om verstuiving en verspreiding van erts en fijn zand bij droog en winderig weer te voorkomen.
  • Andere schoonmaaltechnieken: niet vegen, borstelen of (nog erger) met perslucht schoonspuiten, maar natte schoonmaaktechnieken (schrobmachines) en stofzuigers voorzien van een HEPA-filter op de uitblaaskant.
  • Toepassen van plaatselijke ventilatie. Bij afzuigen worden met een afzuigopening vlak bij de bron de daar vrijkomende stoffen direct weggezogen.

Plaatselijke ventilatietechnieken

Een uitvoerige beschrijving van allerlei vormen van lokale ventilatie is in een aparte serie artikelen gepresenteerd. Daarom wordt hier volstaan met drie aanvullende opmerkingen.

  • Afzuiging dicht bij de bron en bij voorkeur zo veel mogelijk omkast. Dit omdat op korte afstand van de afzuigopening er nauwelijks meer sprake is van afzuiging en een flow. Het omkasten van de bron om zo efficiënt mogelijk af te zuigen en geen capaciteit te verliezen met het aantrekken van valse lucht.
  • Bij voorkeur een combinatie toepassen van blazen en zuigen (push-pull). Aan de ene zijde blazen, waardoor een (horizontale) laminaire luchtstroom door de ruimte wordt gecreëerd (ook op de hoogte van de ademzone). Aan de tegenovergestelde wand (achter de bron) de lucht afzuigen.
  • Afzuiging laag. Dit omdat de meeste stoffen zwaarder zijn dan lucht en dus zullen uitzakken. Hoog afzuigen heeft dan ook geen enkel effect.

C. Maatregelen in de omgeving

Pas als bovenstaande maatregelen onvoldoende effect hebben, dienen maatregelen in de omgeving te worden genomen. Voorbeelden zijn:

Algemene (ruimtelijke) ventilatie. Bij ruimtelijke ventilatie wordt de lucht in de hele ruimte ververst. Dit geeft een algemene verdunning van mogelijk aanwezige stoffen in de lucht. Deze wijze van ventileren is veel minder effectief dan plaatselijke afzuiging direct aan de bron.

Bij ruimtelijke ventilatie kan stof en kunnen gevaarlijke stoffen zich toch eerst door de hele ruimte verspreiden en kunnen medewerkers daaraan worden blootgesteld alvorens de stoffen worden afgevoerd. In sommige gevallen kan ruimteventilatie zelfs de zaak verergeren omdat dan stoffen meer kunnen worden opgedwarreld en zich dan juist door de ruimte gaan verspreiden waardoor een grotere blootstelling kan optreden.

Als deze maatregelen in onvoldoende mate mogelijk zijn of onvoldoende effect hebben, worden organisatorische maatregelen getroffen.

D. Organisatorische maatregelen

Bij deze maatregelen worden mens en bron zo veel mogelijk van elkaar gescheiden in ruimte of tijd. Risicovolle activiteiten worden gecompartimenteerd, dat wil zeggen dat zij in een aparte ruimte worden uitgevoerd.

Ook kan de tijd dat mensen in de nabijheid van een risicobron moeten werken, zoveel mogelijk worden teruggebracht: de blootstellingsduur wordt daarmee beperkt en daarmee het risico. Dit kan onder meer worden bereikt door taakroulatie, het werk verdelen over meer medewerkers zodat niemand de dagdosis overschrijdt.

De bovengenoemde vier stappen in de arbeidshygiënische strategie kunnen worden beschouwd als collectieve maatregelen: de aanpak van de bron zelf, de maatregelen in de overdrachtsweg, de omgeving en de organisatorische maatregelen werken immers voor meer medewerkers. Wanneer bovengenoemde maatregelen niet mogelijk zijn of de risico’s nog onvoldoende tot aanvaardbare proporties zijn teruggebracht, kan als laatste oplossing voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) worden gekozen.

E. Persoonlijke beschermingsmiddelen

Deze laatste stap bestaat uit individuele barrières en helpen alléén bij de medewerker die deze dragen. Het dragen van PBM’s is de minst gewenste keuze, omdat het dragen van PBM’s veelal als oncomfortabel en belastend worden ervaren en PBM’s veelal slechts een beperkte beschermende werking hebben. Dit mede door verkeerd of niet-consequent gebruik. Bekende voorbeelden van PBM’s zijn helmen, handschoenen, veiligheidsschoenen, adembescherming en oorkappen. Met name het dragen van adembescherming wordt als zeer bezwaarlijk en daarmee als onwenselijk beschouwd.

Filtermaskers

Als toch in bepaalde situatie gekozen is voor het dragen van filtermaskers, dan de juiste maskers gebruiken P1, P2, P3.

FFP1: inert stof GW ≥10 mg/m3

FFP2: GW  0,1 - 10 mg/m3, behalve asbest

FFP3: GW < 0,1 mg/m3, asbest, carcinogenen, sporen en bacteriën

(FFP staat voor Filtering Facepiece Particals. GW voor grenswaarde.)

Hierbij bedenken dat de eenvoudige snuitjes feitelijk geen bescherming bieden tegen inademen van stof. De snuitjes voorkomen alleen dat wanneer de drager van het snuitje niest, deze allerlei aerosolen naar buiten sproeit en daardoor de omgeving (andere mensen en goederen) besmet.

Zwakke schakels in de beheersmaatregelen

Een zwakke schakel in sommige situaties waarbij onder stoffige omstandigheden wordt gewerkt is de volgende. In situaties waarbij de beheersmaatregelen meer bovenin de arbeidshygiënische strategie niet voldoende zijn, worden de medewerkers tijdens het werk vaak goed beschermd met wegwerpoveralls met capuchons, goede handschoenen en filtermaskers.

Met name het dragen van filtermaskers wordt door hen vaak als ongemakkelijk ervaren. Wanneer men het werk onderbreekt voor koffie- of lunchpauze dan loopt men naar de omkleedruimte. Daar wordt dan meestal eerst het filtermasker af gedaan en daarna de capuchon en dergelijke uitgetrokken. Het gevolg is dat er dan juist een grote blootstelling optreedt. Bij het uittrekken van de werkkleding komt zeer veel stof vrij die dan vrijelijk wordt ingeademd.

Men zou in een vuile ruimte eerst de werkkleding uit moet trekken (of via luchtdouches schoonblazen) en pas als laatste de adembescherming af moeten doen.

Eenzelfde zwakke schakel geldt ook voor het gebruik van perslucht: zowel voor het schoonblazen van machines als ook voor het schoonblazen van de kleding. Een beter verspreidingsmodel is niet denkbaar. Beter zou zijn het gebruik van stofzuigers (met speciaal filter op de uitlaat). Overigens is bekend dat hele fijne deeltjes door het gebruik van perslucht ook door de huid heen in de bloedbaan en het weefsel kunnen worden gespoten.

Een derde zwakke schakel is dat soms de schone kleding (privékleding) in dezelfde ruimte hangt als de vuile, stoffige kleding. Bij het omkleden kan dan stof vanuit de werkkleding op de schone privékleding terecht komen. Later kan dan alsnog blootstelling plaatsvinden.

Een vierde zwakke schakel is het met vuile stoffige kleding eten in de kantine. Via stofverspreiding kan dan het stof op het voedsel terecht komen en dan via het eten worden opgenomen.

Een vijfde zwakke schakel is soms dat de privékleding en soms de onderkleding en sokken naar huis worden meegenomen. Daar worden deze binnen uitgetrokken waardoor ook familieleden kunnen worden blootgesteld aan bepaalde stoffen. Helaas zijn maar al te goed bekend de vele overlijdensgevallen bij de vrouwen van asbestwerkers in Goor doordat zij thuis de met asbestverontreinigde kleding van hun mannen uitklopten.