Hoe pak je het onderzoek naar biologische agentia aan?

Micro-organismen

Velen ervaren onderzoek naar blootstelling aan biologische agentia (in dit geval micro-organismen) als lastig. Dat komt deels doordat micro-organismen niet met het blote oog te zien zijn, althans de meeste niet.

Bij veel andere arbeidsbelastende factoren zoals machines is dit wel het geval: direct is goed zichtbaar of bijvoorbeeld afschermingen bij bewegende delen of noodstops ontbreken. Maar bij micro-organismen (niet voor niets heten zij micro-organismen) is meestal niets te zien.

In dit artikel wordt beschreven hoe te werk kan worden gegaan bij het onderzoek naar biologische agentia.

 

EERSTE STAP

De eerste stap in de aanpak is om na te gaan of er sprake is van gericht werken of niet gericht werken met micro-organismen. Een uitleg van deze begrippen.

Gericht met micro-organismen werken

Gericht werken met micro-organismen vindt bijvoorbeeld plaats in levensmiddelenbedrijven (zuivel, bier, brood), research/microbiologische laboratoria, keuringsdiensten en bedrijven die recombinant-DNA-technieken (genetisch gemodificeerde organismen) toepassen. De medewerkers zijn zich daar meestal goed bewust van de risico’s. Immers hun hele doen en laten is gericht op het omgaan met micro-organismen. Juist voor het werk waarbij doelgericht met micro-organismen wordt omgegaan, is de wet- en regelgeving het verst ontwikkeld.

Bij gericht werken is de zaak meestal op orde. Men wil de kweken en cultures niet verontreinigd hebben met vuil uit de omgeving, er zijn voorzieningen aanwezig zoals biosafetykabinetten of fermentoren, werkvoorschriften en protocollen, medewerkers zijn vaak hoger opgeleid. Vaak ook is er een zogenaamde biologische veiligheidsfunctionaris (BVF), zeker als er ook met genetisch gemodificeerde organismen wordt gewerkt. Vanuit het doel om steriel te werken, is de veiligheid van de medewerkers beter gewaarborgd en is de blootstelling aan de micro-organismen goed beheerst.

Niet gericht met micro-organismen werken

Werk waarbij niet gericht met micro-organismen wordt gewerkt, maar door de aard van het werk men wel met micro-organismen in aanraking kan komen. De vrijkomende micro-organismen zijn daar een onbedoeld bijproduct van het werk.

Denk hierbij aan medewerkers die binnen de gemeentes zorgen voor het groenonderhoud, medewerkers in afvalverwerkende bedrijven en bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, vleesverwerkende bedrijven, champignonkwekerijen, melkvee- en varkenshouderijen, proefdierbedrijven, tandartsen, kappers, politieagenten, brandweerpersoneel en werkers in de gezondheidszorg (werken met mogelijk besmettelijke patiënten). Maar ook, schoonmakers, begrafenisondernemers, in archieven (schimmelgroei) en kantoorpersoneel (waterleidingen met legionella).

Doordat micro-organismen hier slechts een bijproduct vormen, is de kennis ervan en de aandacht ervoor geringer. Dit uit zich ook in een minder toegespitste wet- en regelgeving en mogelijk grotere risico’s.

Bekeken wordt welke mogelijke micro-organismen kunnen ontstaan. Bij het gericht werken kan bekeken worden welke micro-organismen dit zijn en in welke van de vier gevaarsklassen zij zitten. (Zie de eerdere artikelen over dit onderwerp.) Bij gericht werken is dit vrijwel altijd bekend. Bij het niet-gericht werken niet.

 

TWEEDE STAP

De tweede stap is nagaan of er optimale groeicondities voor de micro-organismen aanwezig zijn. Dit kunnen de volgende factoren zijn:

  • aanwezigheid van voedingstoffen, organisch materiaal
  • een relatief hoge vochtigheid (> 40/50%)
  • een relatief hoge temperatuur (> 250C)

Als deze factoren aanwezig zijn, dan kunnen micro-organismen groeien en kan, afhankelijk van de ‘geslotenheid/openheid’ van het werkproces, blootstelling voor mensen optreden.

Arbobesluit

Volgens het Arbobesluit moet de aard van de biologische agentia en de mate en duur van de blootstelling in kaart worden gebracht. In plaats van direct allerlei dure metingen uit te voeren, kan beter gekozen worden voor een meer praktische aanpak.

 

DERDE STAP

Onderzoek van andere werkplekfactoren

Gekeken wordt naar de andere werkplekfactoren om de kans op verspreiding van micro-organismen op de werkplek te kunnen beoordelen: het werkproces, hoe wordt gewerkt, open of gesloten systemen, de aanwezige beheersmaatregelen, ventilatievoorzieningen, eventuele persoonlijke beschermingsmiddelen, enz.

Wanneer buitenwerkzaamheden moeten worden beoordeeld, dan dient ook rekening te worden gehouden met seizoens- en weersinvloeden.

 

VIERDE STAP

Beoordeling blootstelling

Op basis van bovengenoemde drie stappen kan in veel situaties al de grootte van de bootstelling worden vastgesteld. Hier kunnen dan drie conclusies uitrollen.

1. De blootstelling is zeer laag

Dit kan het geval zijn in bijvoorbeeld de volgende situaties:

  • Bij gericht werken in een goed geoutilleerd microbiologisch laboratorium (met biosafetycabinetten) door goed opgeleid personeel en een goed veiligheidsregiem.
  • In voedselbereidingsbedrijven (keukens, slachterijen, fabrieken) waar volgens de HACCP-regels en voorzieningen wordt gewerkt (HACCP staat voor Hazard Analysis and Critical Control Points).

2. De blootstelling is zeer hoog

Enkele voorbeelden van werksituaties waarbij waarschijnlijk te grote concentraties aan micro-organismen en hun uitscheidingsproducten aanwezig zijn.

  • In slecht geventileerde huurappartementen (bij woningbouwcoöperaties) waarbij sprake is van schimmelgroei in de slaapkamers en de badkamer.
  • In kantoorsituaties waar te weinig onderhoud aan de luchtbehandelingsinstallaties wordt uitgevoerd, kunnen de filters in de luchttoevoer doorslaan. Vervolgens komen bacteriën in de luchttoevoerkanalen en in de werkruimtes. De bacteriën scheiden endotoxines af en in de kantoorvertrekken krijgen medewerkers last van hoofdpijn, een algeheel gevoel van malaise, droge hoest en kortademigheid, soms ook koorts en en op langere termijn kan zelfs COPD ontstaan. COPD is een verzamelnaam van verschillende longafwijkingen zoals chronische bronchitis en longemfyseem. De beschadiging van het longweefsel hierbij is veelal onomkeerbaar.
  • Op scholen waar veel leerlingen in een slecht geventileerd klaslokaal zitten.
  • Bij medewerkers van de buitendiensten van gemeentes of provincies die met bijvoorbeeld bladblazers of grasmaaimachines werken. Op het groen (bladeren, gras enz.) zitten veel micro-organismen. De blootstelling aan deze en aan hun uitscheidingsproducten (endo-, exo- en mycotoxines) kunnen dan zeer hoog zij (afhankelijk van de weersomstandigheden: temperatuur en vocht). Hetzelfde geldt ook voor boeren die met behulp van tractors hun velden bewerken.
  • Op stortvloeren waar vuilniswagens hun lading uitstorten en in huisvuilscheidingsinstallaties kunnen - afhankelijk van het seizoen - zeer hoge concentraties aan bacteriën en schimmels aanwezig zijn. Afgeleid daarvan ook bij de wasstraten waar de vuilniswagens worden schoongespoten.
  • In rioolwaterzuiveringsinstallaties waar onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden plaatsvinden en boven de beluchtingsbaden kunnen veel aerosolen vrijkomen die micro-organismen bevatten.
  • In voedselbereidingsfabrieken en keukens als daar geen goed schoonmaakregime aangehouden wordt.
  • Bij ontruimingen van zeer vieze woningen. In grote steden is dat wel eens het geval. Rekening moet dan worden gehouden met voornamelijk contactbesmetting (via voorwerpen en dus niet via de lucht).
  • Bij het bevrijden van verkeersslachtoffers: mogelijk contact met bloed.
  • In de zorg (cure en care): contact met lichaamsvochten.

3. Onduidelijk is op basis van het voorwerk hoe groot de blootstelling is.

Als het niet duidelijk is hoe groot de blootstelling is, kan het nodig zijn om de blootstelling beter in kaart te brengen. Hetzij met een schattingsmodel als de blauwdruk biologische agentia, hetzij door metingen uit te voeren.

Bij metingen kunnen direct metingen naar bacteriën en/of schimmels en endotoxines worden gedaan. Soms kan ook worden volstaan met het doen van metingen naar de concentratie aan stofdeeltjes of aerosolen in de lucht. Immers zijn dat de dragers (vehicles) van veel micro-organismen. Die metingen zijn gemakkelijker en meer indicatief uit te voeren en zijn bovendien veel goedkoper. Als er weinig deeltjes en/of aerosolen in de lucht zitten, zijn er meestal ook weinig micro-organismen in de lucht.

 

VIJFDE STAP

Maatregelen nemen

-Als de conclusie was dat de blootstelling zeer laag is, dan zijn geen maatregelen nodig. Wel moeten de reeds getroffen maatregelen geborgd worden.

-Als de blootstelling onbekend is, dan moet deze eerst nader worden bepaald en vergeleken worden met de referentienormen (de vuistregels).

-Als wordt ingeschat dat de blootstelling hoog, heeft het uitvoeren van metingen geen toegevoegde waarde. Beter is het dan om direct maatregelen te nemen.

 

Algemene maatregelen

Algemene maatregelen om microbiële groei te voorkómen, zijn de drie genoemde groeicondities minder gunstig maken:

  • Dus de aanwezigheid van voedingstoffen, organisch materiaal verminderen. Voorkómen dat dit zich verspreidt en vaker schoonmaken.
  • De relatieve vochtigheid verminderen (< 40%)
  • De temperatuur verlagen (waar dat kan).

 

Meer specifiekere maatregelen (aan de hand van boven beschreven voorbeelden):

Bij de appartementen niet alleen aan symptoombestrijding doen door de schimmels te verwijderen, maar een betere ventilatie regelen: aanbrengen van luchtroostertjes in de gevels, de bewoners instrueren, opvoeren van de badkamer ventilatie.

Bij de genoemde kantoorsituaties de filters in de luchtbehandelingskasten vervangen (en regelen dat dit frequenter gebeurt) en de binnenzijde van de luchttoevoerkanalen reinigen.

De relatieve vochtigheid in gebouwen verlagen. De voedingsbronnen weghalen, veel frequenter schoonmaken. De temperatuur iets verlagen. In slachterijen gebeurt dit al.

Op scholen veel beter ventileren en in elke pauze tussen de lessen de ruimtes ‘spuien’: ramen en deur enkele minuten tegen elkaar open zetten. Hiermee wordt het aantal micro-organismen in de lucht, de concentratie aan zogenaamde bioeffluenten en de koolzuurconcentratie verlaagd en begint de volgende les met schone lucht.

De buitendienst medewerkers altijd zoveel mogelijk bovenwinds laten werken en bij ongunstige weersomstandigheden (warm en vochtig) airstreamkappen (voorzien van P3-filters) laten dragen.

De cabines van de tractoren voorzien van een kleine luchtfilterinstallatie met HEPA-filters waar doorheen lucht wordt aangezogen. De cabine op overdruk houden ten opzichte van buiten (ook de raampjes dichthouden).

Op stortvloeren waar vuilniswagens hun lading uitstorten en in huisvuil-scheidingsinstallaties en bij de wasstraten, goede ventilatie aanbrengen, een vernevelinstallatie aanbrengen om vrijkomend stof te binden en eventueel de medewerkers airstreamkappen (voorzien van P3-filters) laten dragen.

In rioolwaterzuiveringsinstallaties waar onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden plaatsvinden de medewerkers airstreamkappen (voorzien van P3-filters) laten dragen.

In voedselbereidingsfabrieken en keukens: grote hygiëne betrachten (HACCP-regime hanteren).

In de zorg (cure en care): Als op de laboratoria gewerkt wordt met lichaamsvochten waaronder ook bloed, dan mag dat op de laboratoriumtafel worden gedaan als er geen aerosolen kunnen vrijkomen. Als dat laatste wel het geval is of als men van tevoren weet dat er micro-organismen van gevaarsklasse 3 in zitten, dan moet altijd in een biosafetykabinet worden gewerkt.

 

Lees ook:

Meetmethoden en analysetechnieken biologische agentia

De risico's van micro-organismen

 

Zoekwoorden
biologische agentia
micro-organismen
microbiologische agentia

Gevaarlijke stoffen