Veilig werken met aggregaten
Als er op een werklocatie geen of onvoldoende gebruik kan worden gemaakt van het elektriciteitsnet of bij (langdurige) stroomuitval, kan een aggregaten als energieopwekker worden ingezet.
De veiligheid van aggregaten is in Europa geregeld in de machinerichtlijn. Aggregaten die in Europa worden verkocht, moeten hieraan dan ook voldoen. De fabrikant verklaart dit door het afgeven van een CE-conformiteitsverklaring bij het apparaat en het plaatsen van een CE-markering op het apparaat.
Dat wil echter nog niet zeggen dat een aggregaat zonder meer veilig kan worden gebruikt: immers als je veilig gebruik wilt maken van een slijprol moet je ook een veiligheidsbril, gehoorbescherming en dergelijke dragen.
Om veilig gebruik te kunnen maken van een aggregaat, moeten de veiligheidsbepalingen uit de NEN 1010 (veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties) worden toegepast.
Om ervoor te zorgen dat medewerkers gebruik maken van een veilige aggregaat, moet deze enerzijds periodiek gekeurd worden volgens de NEN 3140 (Bedrijfsvoering voor elektrische installaties) en anderzijds ook het motorische deel op de door de fabrikant voorgeschreven wijze.
Op basis van de Arbowet is de werkgever verplicht om door middel van de aard, mate en duur van de blootstelling aan schadelijke uitlaatgassen (met name bij dieselaggregaten) en lawaai te beoordelen in een RI&E en op basis van de uitkomsten een Plan van Aanpak (PvA) te maken. In dit artikel wordt hierop niet verder ingegaan.
Indeling
Aggregaten worden onderverdeeld in:
- Kleine draagbare aggregaten
* vermogen minder dan 1 kVa en niet zwaarder dan 18 kg;
* deze aggregaten hoeven niet te worden geaard en de hoeven niet voorzien te zijn van een isolatiebewaking.
* er mag maar een apparaat van klasse I (herkenbaar aan de stekker met randaarde) worden aangesloten en de aansluitleiding mag maximaal 20 meter zijn.
* er mogen wel meerdere klasse II apparaten (herkenbaar aan de aangegoten stekker zonder randaarde) op worden aangesloten.
- Grotere draagbare aggregaten
* vermogen 1 kVA of hoger en/of zwaarder dan 18 kg
* voor tijdelijk gebruik
* deze aggregaten moeten bij voorkeur worden geaard
* kan dit niet, dan moet isolatiebewaking worden toegepast.
(een isolatiebewaker meet continue of er in het aangesloten arbeidsmiddel onbedoeld een verbinding ontstaat tussen de geleiders (L1, L2, L3, N) en het metalen gestel van het aggregaat (PU). Als dit het geval is, schakelt de isolatiebewaker het aggregaat uit.
- Grote aggregaten als stroomvoorziening op bouwplaatsen
* deze aggregaten moeten altijd worden geaard.
* het sterpunt van de generator moet worden gekoppeld met een aardelektrode aan aarde. Hiervoor is een voorziening aangebracht op het aggregaat.
* de aardverspreidingsweerstand van de aardelektrode moet maximaal 166 Ω zijn.
* aggregaten > 32A moeten zijn voorzien van (bij voorkeur selectieve)
aardlekbeveiligingen met een aanspreekstroom van 300 mA, kleinere aggregaten van 30 mA.
Isolatiebewaking
Als een aggregaat redelijkerwijs niet kan worden geaard (bijvoorbeeld als de installatie mobiel moet zijn (op een aanhanger/vrachtauto) of de werkzaamheden van zeer korte duur zijn, dan moet er een isolatiebewaking in de installatie/aggregaat worden opgenomen/ingeschakeld. Zonder deze voorzieningen is de installatie ronduit gevaarlijk.
Let op: dit zit normaal gesproken niet in een verdeelkast en niet elk aggregaat is er standaard mee uitgerust!
Een isolatiebewaker als alternatief voor een aarding heeft, zeker bij omvangrijke installaties, ook nadelen. Zodra er ergens in de installatie maar een kleine verlaging van de isolatieweerstand optreedt, dan zal de isolatiebewaker worden geactiveerd.
In de praktijk betekent dit dat steeds het aggregaat (de hoofdvoeding) uitvalt, terwijl er een isolatiefout zit bijvoorbeeld bij een boormachine die in een plas water heeft gelegen. De aardlekbeveiliging, die normaalgesproken zou aanspreken, werkt niet omdat de installatie niet is geaard!
Kleine aggregaten (< 3kVA) hoeven niet voorzien te zijn van een isolatiebewaking, echter dit wordt wel aanbevolen.
Aarding en aardverspreidingsweerstand
Als het niet mogelijk is om een bestaand aardpunt te gebruiken, moet een aardelektrode worden geslagen. Zoals eerde aangegeven moet deze een aardverspreidingsweerstand hebben van maximaal 166 Ω.
De diepte van de aardelektrode is bepalend voor de aardverspreidingsweerstand, maar er spelen ook andere factoren een rol, zoals de grondsoort:
| Effect van de grondsoort op de aardverspreidingsweerstand | |
| Grondsoort | Typische weerstand (Ω/m) |
| Moerassig/drassig | 2 – 2,7 |
| Leem en klei | 4 - 150 |
| Kalkachtig | 600 – 4000 |
| Zand | 90 – 8000 |
| Turf en veen | 200 en meer |
| Kiezelzand | 300 – 500 |
| Rotsachtige grond | 1000 en meer |
Ook de grondvochtigheid speelt een grote rol:
| Effect van de grondvochtigheid op de aardverspreidingsweerstand | |
| Vochtpercentage in gewicht | Typische weerstand (Ω/m) In zandachtige leemgrond. |
| 0 | 10.000.000 |
| 2,5 | 1.500 |
| 5 | 430 |
| 10 | 185 |
| 15 | 105 |
| 20 | 63 |
| 30 | 42 |
Het is dan ook raadzaam om de aardelektrode te slaan tot in het grondwaterniveau. Let op: dit wisselt sterk tussen zomer en winter!
Mocht de aardverspreidingsweerstand niet worden gehaald, dan kan het helpen om wat zoutwater toe te voegen:
| Effect van zout op de aardverspreidingsweerstand (zandachtige leemgrond met 15,2% water) | |
| Grondsoort | Typische weerstand (Ω/m) |
| 0 % | 107 |
| 0,1 % | 18 |
| 1 % | 4,6 |
| 5 % | 1,9 |
| 10 % | 1,3 |
| 20 % | 1 |
Let op: Naar verloop van tijd spoelt het zout ook weer weg en daarnaast bevorderd zout het corrosieproces!
Uit voorgaande blijkt wel dat de aardverspreidingsweerstand van veel factoren afhankelijk is. Het belangrijk om een aardelektrode aan te brengen met een waarde die ver onder de maximale waarde ligt. Het meten ervan tijdens het slaan van een aardelektrode is dan ook must.
Keuze van een aggregaat
Bij de keuze van een aggregaat speelt enerzijds het benodigde vermogen en het soort belasting een grote rol en anderzijds de plaats waar het aggregaat moet komen te staan.
Aanloopstroom (piekstroom)
Veel apparaten vragen bij het inschakelen/opstarten meer stroom dan bij normaal gebruik (nominale stroom). Deze aanloopstroom duurt veelal een fractie van een seconde, maar kan grote gevolgen hebben. Zeker als meerdere apparaten met hoge aanloopstromen tegelijkertijd worden ingeschakeld.
- Ohmse gebruikers (gloeilampen, verwarmingsapparaten)
Het gevraagde vermogen wat staat aangegeven op het typeplaatje is het werkelijke vermogen wat wordt gevraagd. De optelsom van het gevraagde vermogen mag bij elkaar opgeteld en mag gelijk zijn aan het continue geleverde vermogen van het aggregaat.
- Inductieve vermogen (cirkelzaagmachines, boorhamers, compressoren)
Bij deze apparaten wordt slechts zo’n 70 % van het opgenomen vermogen effectief omgezet. Daarnaast hebben we bij deze apparaten te maken met een grote aanloopstroom, die wel het zesvoudige kan zijn van de nominaalstroom!
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de meest voorkomende aanloopstromencoëfficiënten:
| Overzicht meest voorkomende aanloopstromen | |
| Soort apparaat | Aanloopstroomcoëfficiënt |
| Verlichting (gloeilamp, halogeen-/TL-verlichting | 1 |
| Televisie, radio, magnetron | 1 |
| Stofzuiger, mixer | 1,25 – 2 |
| Cirkelzaag, boormachine, haakse slijper | 1,25 – 2 |
| Heggenschaar, grasmaaier, kettingzaag | 2 – 3 |
| Hogedrukreiniger, compressor | 3 – 4 |
| Koelkast, diepvries, airco, wasmachine | 3,5 – 5 |
| Lasapparaat | 5 - 10 |
Bij twijfel over de aanloopstroom, raadpleeg de handleiding van het apparaat of vraag die op bij de fabrikant/leverancier.
Tel de vermogens op door de wattages van de aan te sluiten apparaten op te tellen. Bereken zowel het normale stroomverbruik als de piekbelasting.
Voeg een veiligheidsmarge van 20 tot 30 % toe aan het totale vermogen om te zorgen dat het aggregaat niet overbelast wordt.
Gebruik deze waarde voor het kiezen van een aggregaat. Zorg er natuurlijk voor dat het vermogen van het aggregaat hoger is dan de berekende waarde.
Worden hoge eisen gesteld aan de kwaliteit van de geleverde stroom (bijvoorbeeld bij medische apparatuur en computers), dan gekozen voor een aggregaat met speciale frequentie- en spanningsregelingen zoals een invertor-aggegaat.
Plaats van het aggregaat.
Naast de keuze van het aggregaat is vanzelfsprekend ook de plaats waar dat komt te staan belangrijk (volgt uit de eerder genoemde RI&E en PvA):
- gebruik bij voorkeur geluidgedempte aggregaten
- voorzie dieselaggregaten van roetfilters en gebruik HVO100 als brandstof
- Plaats het aggregaat op ruime afstand van de werkzaamheden en in een veilige omgeving
- Zet het aggregaat niet op een brandgevaarlijke ondergrond
- Plaats het aggregaat op minstens 1 meter van brandbaar materiaal en/of gevaarlijke leidingen
- Zorg voor een vlakke ondergrond en plaats het aggregaat horizontaal (waterpas)
- Start en gebruik een aggregaat alleen buiten of in een zeer goed geventileerde ruimte
- Plaats het aggregaat zo dat alle deuren volledig open kunnen
- Zorg dat een brandblusser in de buurt aanwezig is
Gebruik:
Is bovenstaande in orde en is het juiste aggregaat gekozen en geplaatst, dan kan het aggregaat in principe worden gebruikt. Let wel, ook hier zijn een aantal zaken essentieel:
- De handleiding moet bij het aggregaat aanwezig zijn
- De gebruiker moet goed geïnstrueerd zijn
- Veelal is het dragen van gehoorbescherming noodzakelijk
- Draag geen losse kleding bij een draaiend aggregaat
- Draag handschoenen bij de bediening in verband met het in aanraking kunnen komen van hete onderdelen, brandstof en accu
- Raak de hete uitlaat niet aan
- Verplaats het aggregaat nooit met ingeschakelde motor
- Vul het aggregaat uitsluitend met de voorgeschreven brandstof
- Vul brandstof bij met een uitgeschakelde motor en als die voldoende is afgekoeld
- Gebruik bij het vullen vanuit een jerrycan een trechter of vulslurf
- Vol de tank niet tot de rand
- Controleer het oliepeil en vul zo nodig olie bij
- Als er een aardlekschakelaar aanwezig is, moet deze worden getest door middel van de testknop.
Keuring:
Elk aggregaat moet periodiek worden gekeurd conform NEN 3140 door een daartoe bevoegde (aangewezen) inspecteur.
De frequentie volgt uit NEN 3140 Bijlage K.
Daarnaast is het verstandig om ook het motorische deel regelmatig te onderhouden/ inspecteren om de continuïteit te waarborgen.
Tool:
Gebruik ook bijbehorende checklist:
Checklist aggregaten: waarop letten?


