Optimaal presteren met ergonomische werkplek

Print
Fysieke belasting
Omdat niet-ergonomische werksituaties kunnen leiden tot verminderde productiviteit en een groter verzuim, is het belangrijk deze in een vroeg stadium te herkennen. Een inleiding in ergonomie met tips om signalen te herkennen.

De Arbowet bepaalt dat de werkgever moet zorgen voor werkplekken, werkmethoden en hulpmiddelen die, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, op ergonomisch verantwoorde wijze zijn aangepast aan de werknemers. Dat is niet voor niets, want door ergonomie toe te passen in onze werkomgeving, is er winst te behalen door:

  • Het verminderen van de kans op ongelukken. 
  • Het verminderen van de kans op letsel en beroepsziekten. 
  • Het verbeteren van de resultaten en productiviteit. 
  • Het langer behouden van de werknemers op de werkvloer.

Wat is ergonomie?
Van oorsprong is ergonomie afgeleid van de Griekse woorden ‘ergon’ (werk) en ‘nomos’ (wet). Tegenwoordig is het een breder begrip. Ergonomie richt zich wetenschappelijk gezien op de ‘fit’ van de werknemers en zijn werkzaamheden. Zo wordt er rekening gehouden met de mogelijkheden en de grenzen van het vermogen van de werknemers ten opzichte van hun werk en werkomgeving. Ergonomie geeft richting en grenswaarden aan de taken, de gebruikte middelen, de informatie die verwerkt moet worden en de omgeving. Al deze aspecten worden passend gemaakt voor elke werknemer.

De grenswaarden van taken, middelen, informatie en omgeving zijn bepaald door jarenlang onderzoek naar welke aspecten van deze onderdelen tot klachten kunnen leiden en/of negatieve invloed hebben op presteren en produceren van werknemers. Denk aan aspecten van onder andere duur, afmetingen, volgorde, energieverbruik, impact op het bioritme en reactievermogen van de mens.

Hoe wordt ergonomie in praktijk gebracht?
Om optimaal te kunnen werken en presteren is het belangrijk de optimale fit te creëren tussen de werknemers en hun werkomgeving. Via het vier pilarenmodel (Dirken, productergonomie 1997) en de Human Technology toolbox (basistool voor Human Technology, 2006) trachten de professionals die optimale fit te krijgen.

Vier pilarenmodel

Het vier pilarenmodel (zie figuur 1) geeft goed weer hoe er tegen ergonomische aanpassingen wordt aangekeken en welke aspecten belangrijk zijn voor een toepassing in de aangeboden werkzaamheden.

 


Figuur 1 Het vier pilarenmodel van Dirken

Legenda:
K = constructie, materiaalkunde, vervaardingsleer
V = vormgeving met nadruk op esthetische en communicatieve waarden van de verschijningsvorm
P = product en systeemergonomie (onderling verband)
B = bedrijfskunde van de product- of procedureontwikkeling en marketing

Toelichting
K: Het product of de aanpassing moet technisch gemaakt kunnen worden en uiteraard moet het product of de aanpassing goed werken.
V:  Het moet er aantrekkelijk uitzien en passen bij een bepaalde stijl, bij gebruikssituatie, leefstijl en gebruiker.
P:  Het moet nuttig zijn, bruikbaar, efficiënt, veilig en comfortabel.
B:  Het ontwerpen, produceren en distribueren dienen ergonomisch en organisatorisch verantwoord te zijn.

Human Technology toolbox
De Human Technology toolbox kan meer gezien worden als een productinnovatiecyclus. Er wordt nadruk gelegd op een optimale bruikbaarheid van het product. Dit geldt voor zowel nieuw te ontwerpen producten als voor behoefte aan aanpassing van producten. Bijzonder aan deze toolbox is het meenemen van de maatschappelijke en sociale context. Dit is weergeven in figuur 2.


Figuur 2 Human Technology toolbox

Op basis van onderzoek wordt een visie op de (toekomstige) mens-productinteractie gevormd. Dit geldt voor de verschillende fasen van de productcyclus. En voor verschillende typen technologische producten. Denk hierbij aan:

  • Informatiesystemen
  • Consumenten producten
  • De gebouwde omgeving

Identificeren van niet-ergonomische situaties
Met de toolbox en het vier pilarenmodel kun je een optimale werkomgeving creëren. Daarnaast is het belangrijk om kritisch naar de aangeboden werksituatie te blijven kijken. Als de werkomgeving, de werktaken en middelen niet meer optimaal aansluiten op je werknemers, dan kun je dit merken door verminderde productiviteit en vergroot verzuim. In de praktijk is al in een vroeg stadium een groot aantal signalen herkenbaar die kunnen duiden op niet-ergonomische werksituaties.

Enkele voorbeelden van signalen van niet-ergonomische situaties:

  • Afname van productiviteit
  • Stijging van ziekteverzuim
  • Klagen op de werkvloer
  • Meldingen van bijna-ongelukken of ongelukken
  • Achterstand onderhoud machines
  • Er worden regelmatig fouten gemaakt
  • De hulpmiddelen worden niet gebruikt
  • Er zijn tekenen van inadequaat ontwerpdesign zoals zelfgemaakte oplossingen.

Op veel verschillende manieren kun je ongunstige werksituaties opsporen. Van algemeen observeren, interviewen van de werknemers tot tools en checklists. Deze website biedt hiervoor veel handige en makkelijk uitvoerbare tools en checklists aan.

Globale maatregelen
Bij constatering van de niet-ergonomische situatie, is de volgende stap het onderzoeken van de oorzaak van de ontstane situatie. Deze informatie vormt de basis voor de duurzame en de meest werkzame oplossing. Grofweg zijn er drie mogelijke oplosrichtingen:

  1. Organisatie van het werk: Best practice-voorbeelden op organisatieniveau zijn het aanpassen van werkafspraken, of een andere taakverdeling voor de medewerkers. Ook kan de functie-inhoud met taken en afwisseling van taken of werkrusthouding aangepast worden.
  2. Werkplek: Best practice-voorbeelden zijn aanpassen van de werkplek of het herontwerpen van de werkplek.
  3. Wijze van werken: Best practice-voorbeelden zijn het aanbieden van voorlichting of een training van de medewerker. De focus ligt dan op het aanpassen van werkgedrag en/of de techniek van het uitvoeren van handelingen.

Normen ergonomie in deelgebieden
Om inzicht te geven hoe je kunt voldoen aan het aanbieden van een goede werksituatie aan je werknemers zijn er normen vastgesteld, onderverdeeld in deelgebieden. De normen en grenswaarden van ieder deelgebied zijn opgesteld om het werken efficiënt, gezond en comfortabel te kunnen uitvoeren. De belangrijkste zes deelgebieden zijn:

  • Fysieke belasting
  • Energetische belasting
  • Fysieke onderbelasting
  • Mentale belasting
  • Interactie mens en hulpmiddelen
  • Omgevingsergonomie

Voor elk deelgebied van ergonomie staan hieronder de normen opgesomd, met vooraf een korte beschrijving wat onder het desbetreffende deelgebied wordt verstaan.

Normen fysieke belasting
Belasting van het lichaam door arbeid is fysieke belasting. Deze belasting kan van mechanische aard zijn of energetische aard. Mechanische belasting betreft de krachtsuitoefening gedurende bepaalde tijdsperiodes en mogelijk met bepaalde frequenties. Mechanische belasting komt in de praktijk meestal voor in combinatie van één of meer van de volgende vormen:

  • Fysieke inactiviteit of onderbelasting (zie normen onderbelasting)
  • Tillen en dragen
  • Duwen en trekken
  • Belastende werkhouding
  • Repeterende bewegingen
  • Energetische belasting (zie normen energetische belasting)
  • Trillingen

Normen van de til- en draagsituatie
Tillen is een handeling waarbij een object met een hand of twee handen wordt vastgepakt. Hierbij worden geen mechanische hulpmiddelen gebruikt. Tillen wordt op dezelfde plek uitgevoerd. Dragen is een handeling waarbij een object met een hand of twee handen wordt vastgehouden. Hierbij worden geen mechanische hulpmiddelen gebruikt. Dragen wordt in horizontale richting lopend uitgevoerd.

De mate van belasting door tillen en dragen komt tot stand door een samenspel van persoons-, taak- en omgevingsgebonden factoren.

Tot 23 kilo kan in het algemeen – indien voldaan wordt aan de volgende richtlijnen – worden getild met een beheersbaar risico voor de gezondheid (aanvaardbaar voor 90% van de mannen en 75% van de vrouwen):

  • Recht voor het lichaam tillen. 
  • De last dicht bij het lichaam vastpakken en vasthouden. 
  • De last om en nabij heuphoogte (gemiddeld op 75 centimeter hoogte) optillen en neerzetten. 
  • Niet of zo weinig mogelijk lopen met de last. 
  • De last niet meer dan 25 centimeter in verticale richting verplaatsen. 
  • Gemiddeld niet meer dan eenmaal per vijf minuten tillen. 
  • De last indien mogelijk goed beetpakken.

Tillen volgens deze richtlijn gaat uit van het minimaal hanteren van lasten vasthouden, dragen, trekken en duwen. Wanneer het gewicht of de richtlijnen anders zijn, kan berekend worden hoeveel maximaal binnen beheersbaar risico voor de gezondheid getild kan worden.

Bij dragen gelden dezelfde vergelijkende richtlijnen als bij tillen met als uitzondering het extra component verplaatsingsafstand. Bij minder dan 2,1 meter verplaatsing kan een last van minder dan 23 kilo plus de bovengenoemde richtlijnen gehanteerd worden.

Duwen en trekken
Duwen en trekken is het uitoefenen van een kracht met de handen door een persoon op een object. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen twee vormen van duwen en trekken:

  • Duwen en trekken met het hele lichaam, bijvoorbeeld het lopend trekken van een rolcontainer.
  • Duwen en trekken met alleen de armen, bijvoorbeeld het zittend of staand bedienen van hendels.

Duw- en trekkrachten zijn een beheersbaar risico voor de gezondheid zolang wordt uitgegaan van de volgende richtlijnen:

  • Maximaal 30 kilo (300 Newton) duwen of trekken voor het op gang brengen van een stilstaande last.
  • Maximaal 20 kilo (200 Newton) duwen of trekken voor het in gang houden van een bewegende last.

Risicovolle handelingen, die direct aangepakt dienen te worden:

  • 2-handig duwen en trekken > 25 kilo
  • 1-handig duwen niet frequent > 16 kilo
  • 1-handig trekken niet frequent > 15 kilo
  • 1-handig duwen hoge frequentie (≥ 1 maal per minuut) > 11 kilo
  • 1-handig trekken hoge frequentie (≥ 1 maal per minuut) > 10 kilo

Belastende houding
Bij het beoordelen van de fysiek belastende effecten van de werkhouding is het belangrijk onderscheid te maken tussen dynamische en statische werkhoudingen:

  • Dynamische werkhoudingen zijn werkhoudingen waarbij een medewerker feitelijk continu in beweging is.
  • Statische werkhoudingen zijn houdingen waarbij delen van het lichaam langere tijd (langer dan 4 seconden) dezelfde houding innemen. Statische werkhoudingen worden vaak gekenmerkt door langdurig staan of zitten, of langdurig in een gebogen houding werken.

Richtlijnen voor staand werk: maximaal één uur achtereen en maximaal vier uur op een werkdag. Langer dan één uur aaneengesloten en vier uur op een dag staan zal zo veel mogelijk moeten worden vermeden. Staan kan voorkomen worden door de medewerker taken te geven waarbij houdingen kunnen worden afgewisseld. Dit is mogelijk door de medewerker bijvoorbeeld af en toe te laten lopen of te laten zitten op een stoel of een stasteun.

Bij zittend werken wordt aanbevolen ten minste iedere twee uur af te wisselen met andere houdingen, en het zitten tot een maximum van vijf uur per dag te beperken.

Uit onderzoek is bekend dat bij reikafstanden van meer dan 45 centimeter de belasting van het bewegingsapparaat aanzienlijk toeneemt. Hoe meer gewerkt wordt in lichaamshoudingen waarbij de gewrichten in een middenstand staan, hoe beter de belastbaarheid van het bewegingsapparaat is.

Repeterende bewegingen
Repeterend werk is het uitvoeren van steeds dezelfde bewegingen vaker dan twee keer per minuut. Deze bewegingen worden minimaal twee uur per dag of minimaal een uur achtereen uitgevoerd. Voorbeelden zijn beeldschermwerk, lopendebandwerk, fijn montagewerk en inpakwerk. De richtlijnen van belastende houdingen van de armen, handen, hoofd, romp en benen geven aan dat deze tot 60 minuten geen risico vormen.

Trillingen
Overal waar wordt gewerkt met mechanisch aangedreven gereedschap, of waar het besturen van een voertuig een belangrijk onderdeel is van het werk, kunnen trillingen een probleem vormen. Trillingen vormen een onderwerp dat uitsluitend door specialisten beoordeeld kan worden.

Dit onderwerp wordt uitgebreid beschreven in het artikel Trillingen op deze website. 

Normen energetische belasting
Energetische belasting is de hoeveelheid energie, arbeid of vermogen die gedurende bepaalde periodes moet worden aangewend.

Energetische belasting kan problematisch worden als grote spiergroepen langdurig zware arbeid verrichten, die gepaard gaat met een hoog energieverbruik. Dit betreft vrijwel altijd het fors inzetten van romp en beenspieren (dat wil zeggen minimaal een derde van de totale lichaamsspiermassa). Werknemers die veel of vaak moeten lopen, traplopen, fietsen of tillen, ondergaan een hoge energetische belasting. Een beroep waarin dit aan de orde is, is bijvoorbeeld bij verhuizers of werknemers in de bouw.

Bij overbelasting herstelt het lichaam zich onvoldoende, waardoor lichamelijke vermoeidheid optreedt. Secundair hieraan kan de gevoeligheid voor (infectie)ziekten toenemen, en kunnen door verminderde concentratie en lichaamscoördinatie de veiligheidsrisico’s toenemen. Voorbeelden zijn: het optreden van blessures door struikelen en het maken van fouten, zoals het niet adequaat reageren op storingsmeldingen.

De grenswaarden worden bepaald door het meten van de belastbaarheid van de werknemer en welke belasting het werk van hem of haar eist.

Normen fysieke onderbelasting
De huidige wetenschappelijke richtlijn geeft aan dat mensen dagelijks ten minste een half uur middelzware activiteit (meer dan vijf METS) verrichten. Eén MET is gelijk aan drieënhalve milliliter zuurstofverbruik per kilogram lichaamsgewicht per minuut. In de tabel staan een aantal werkzaamheden en de hoeveelheid METS die verbruikt worden.

Normen mentale belasting
Mentale belasting of perspectief-mentale belasting is de hoeveelheid informatie die via zintuigen in een bepaalde periode verwerkt moet worden. Het denken en het geheugen staan centraal bij mentale belasting.

Oorzaken van problematiek van mentale belasting liggen vooral op het organisatorisch niveau in de taakeisen: de functie-inhoud.

Vaak vindt er een combinatie plaats van eenzijdige mechanische belasting en van mentale belasting, die zich onder andere uit in spiervermoeidheid.

Mannen die meer dan zes uur per dag beeldschermwerk verrichten, hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van gezondheidsproblemen. Bij vrouwen is de grens op vier uur gesteld.

Belastende factoren zijn:

  • Dubbeltaken uitvoeren: verschillende taken die tegelijk worden uitgevoerd, zeker als er ook sprake is van conflicterende eisen, zoals wanneer snelheid en nauwkeurigheid vereist zijn.
  • Taken onder tijdsdruk. 
  • Complexe taken: taken die constant ingewikkelde beslissingen vergen. 
  • Taken met een groot afbreukrisico: taken waarbij veel van de beslissing afhangt (grote consequenties). 
  • Taken waarbij de aangeboden informatie onvolledig is, denk hierbij aan onvoldoende verlichting. 
  • Taken met te weinig eisen, bijvoorbeeld kwaliteitsbewaking in de industrie.

Normen interactie mens en hulpmiddelen
Elk beroep en iedere werkomgeving bestaat uit de interactie van de werknemer met hulpmiddelen. Van gereedschap tot beeldscherm tot de vormgeving van user interfaces. 

Normen omgevingsergonomie
Bij omgevingsergonomie ligt de nadruk op de algemene systemen die goede voorwaarden scheppen voor het functioneren van de werknemers in bepaalde ruimten. Voorbeelden hiervan zijn: verlichting, klimaat, geluid, trillingen, toxische stoffen, stof en vuil. Tot omgevingsergonomie worden ook de sociale omgevingsfactoren zoals functieontwerp, werk- en rusttijden en nachtarbeid gerekend.

In het kort zijn dit algemene grenswaarden:

  • De grens voor maximaal aanvaardbaar geluid ligt bij 80 dB (A). Dit niveau heeft een veilige dagelijkse blootstellingsduur van 8 uur. Een goede manier van bestrijden van schadelijk geluid: tijdig onderhoud aan apparatuur of besturingslucht bij pneumatische installaties niet direct uitblazen in directe omgevingslucht.
  • Klimaat is de temperatuur en luchtvochtigheid in de omgeving. Verder ook de kwaliteit van de lucht (denk aan uitstoten van stoffen door kopieermachines of meeroken) en ervaren van tocht.
  • Licht heeft invloed op onze gezondheid en gezondheidsklachten. De gewenste praktijkverlichtingssterkte ligt voor de meest voorkomende uit te voeren taken tussen de 200 en 750 lux. Onder de 200 lux wordt in het algemeen als somber ervaren. Uiteraard is de sterkte afhankelijk van de uit te voeren taak.

Dit artikel geeft ergonomie in algemene zin weer. Verdieping van elk deelgebied kun je vinden onder de verschillende items in het menu veiligheidsthema’s.

Wetgeving / nadere informatie

Belangrijkste Arbobesluiten

Artikel 1.1: Definities algemeen

Artikel 5.1: Definitie richtlijn

Artikel 5.2: Voorkomen gevaren

Artikel 5.3: Beperken gevaren en risico-inventarisatie en -evaluatie

Artikel 5.4: Ergonomische inrichting werkplekken

Artikel 5.5: Voorlichting

Artikel 5.6: Bijlagen richtlijn

Artikel 6.11a: Definities, grenswaarden en actiewaarden

Artikel 6.11c: Voorkomen of beperken van schadelijke trillingen

Artikel 6.11d: Voorlichting en onderricht

Artikel 6.11e: Arbeidsgezondheidskundig onderzoek inzake trillingen

Belangrijkste normen

  • NEN 2738: Menselijke fysieke belasting – termen en definities, 1991
  • NEN 2739: Menselijke fysieke belasting – kenmerken en meetmethoden, 1995
  • NEN-EN 1005-2:2003: Veiligheid van machines – Menselijke belasting – deel 2: handmatig hanteren van machines en machineonderdelen
  • NEN-EN 1005-3:2002: Veiligheid van machines – Menselijke belasting – deel 3: aanbevolen maximale krachten bij machinewerkzaamheden
  • NEN-EN 1005-4:2005: Veiligheid van machines – Menselijke belasting – deel 4: evaluatie van de werkhoudingen en bewegingen bij machinewerkzaamheden
  • NEN-EN 1005-5: Veiligheid van machines – menselijke belasting – risicobeoordeling van herhaalde handelingen op hoge frequentie
  • NEN-EN-ISO 8996: Ergonomie – bepaling van de metabole warmtereductie, 1996
  • NEN-EN-ISO 10075-3: Ergonomische principes gerelateerd aan mentale werkbelasting – deel 3; principes en eisen voor het meten en beoordelen van mentale belasting
  • NEN-ISO 11228-1: Ergonomie. Handmatig verplaatsen van lasten; tillen en dragen, 2003
  • AI04 – Lawaai op de arbeidsplaats, 2011
  • A08 – Zittend en staand werk, 2009
  • AI29 – Fysieke belasting in het werk, 2009
  • AI36 – Trillingen, 2010
  • AI42 – Werkdruk, stress, energie, 2010

Geraadpleegde literatuur

  • P. Voskamp, P.A.M. van Scheijndel & K.J. Peereboom, Handboek Ergonomie, 2009
  • H. Dirken, Productergonomie, ontwerpen voor gebruikers, 1997
  • basistool voor Human technology, uit studiegids 2006, TU Delft

 

 

Bijlage: Belangrijkste uitkomsten uit Arbobalans 2010

De Arbobalans 2010, opgesteld door TNO in opdracht van het ministerie van SZW, bevat de volgende cijfers over fysieke belasting en klachten van het houdings- en bewegingsapparaat, veiligheid en omgevingsfactoren:

  • Arbeidsongeschiktheid: In totaal zijn er in 2009 ongeveer 600.000 arbeidsongeschikten in Nederland. De meest voorkomende diagnosecategorieën zijn psychische klachten, klachten aan het bewegingsapparaat en hart- en vaatziekten.
  • Fysiek belastende arbeidsomstandigheden zoals lichamelijke belasting, veiligheid en omgevingsfactoren, komen het meest voor in productiesectoren, zoals de bouw en de industrie, maar ook in dienstverlenende sectoren als transport en communicatie, horeca en gezondheidszorg. Beroepen waarin mensen veel lichamelijke belasting ervaren, zijn ambachtelijke en industriële beroepen, agrarische beroepen en transportberoepen. Daarnaast komen repeterende bewegingen, kracht zetten en het werken in een ongemakkelijke houding vaak voor in de gezondheidszorg.
  • In de industrie hebben werknemers 44% te maken krijgt met regelmatig herhaalde bewegingen, in de bouw zelfs 56%. Regelmatig kracht zetten in de industrie 19% en in de bouw 41%. Ongunstige houdingen in de bouw 29% en in de industrie 11%. Trillen en schudden worden met name in de bouw regelmatig ervaren door zo’n 36%.
  • Omgevingsfactoren zoals werken met waterige oplossingen, tijdens het werk in contact kunnen komen met besmettelijke personen, dieren of materialen en het kunnen inademen van stoffen tijdens het werk, hebben invloed op de gezondheid en productiviteit van de werknemers. Dit komt het meest voor in productieomgevingen. Gemiddeld 30% van de werknemers staat hier regelmatig of soms aan bloot.
  • Gevaarlijk werk en werken in besloten ruimtes met gevaar voor verstikking, vergiftiging of brand komen volgens werknemers minder vaak voor dan blootstelling aan lichamelijke belasting. Ongeveer 20% van de werknemers doet ten minste soms gevaarlijk werk en 10% werkt in besloten ruimtes.