Werken met verontreinigde grond

Print
Gevaarlijke stoffen
Verontreinigde grond is een term die bij veel mensen meer vragen oproept dan antwoorden geeft. Van een aannemer die een ‘schone grondverklaring’ nodig heeft voor hij aan de slag kan, tot het saneren van de bodem onder het afgebrande Chemie-Pack in Moerdijk, allemaal zijn het situaties waarbij regels omtrent verontreinigde grond om de hoek komen kijken. Welke maatregelen moet je treffen om veilig in of met verontreinigde grond te werken?

 

 

Wat is verontreinigde grond?

Kijkend naar de diverse wetgevingen zijn daar verschillende uitgangspunten voor. Milieukundig is de bodem verontreinigd als deze ‘niet schoon’ is. Milieukundig zijn daar enkele toetsnormen voor benoemd: de streef-, tussen- en interventiewaarde. Bij overschrijding van deze normen is er sprake van respectievelijk licht, matig en sterk verontreinigde grond.

 

Arbowetgeving

Bij het uitvoeren van projecten met verontreinigde grond staan er naast de reguliere Arbogerelateerde onderdelen, aanvullende onderdelen in de arbowetgeving. Als tijdens de uitvoering van de projectrisico-inventarisatie en -evaluatie blijkt dat er gewerkt zal worden in of met verontreinigde grond en verontreinigd grondwater, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Hierbij wordt de arbeidshygiënische strategie gevolgd. De eerste stap is het wegnemen van de bron, waarvoor medewerkers met het verontreinigde materiaal werken en de nodige beschermende maatregelen nodig zijn. Om de juiste maatregelen te kunnen treffen, zullen aan de gekwalificeerd risico's (gekwantificeerde en geëvalueerde risico’s) beheersmaatregelen moeten worden gekoppeld, op basis van de stand der techniek en de arbeidshygiënische strategie. Als handleiding wordt de CROW-publicatie 132 ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd grondwater’ gehanteerd. In deze publicatie wordt ingegaan op het risicogestuurd werken. Onder risicogestuurd werken wordt hier bedoeld dat risico’s tijdig dienen te worden gesignaleerd en gedeeld met alle partijen. Iedere partij neemt zijn verantwoordelijkheid en spreekt de ander aan op elkaars verantwoordelijkheden, uiteraard op een professionele wijze.

 

CROW-publicatie 132, de voorbereidingen

Om de risico's te kunnen bepalen dient een volledig bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Hierbij zullen alle (in het verleden) uitgevoerde bodembedreigende handelingen juist en volledig moeten worden onderzocht.

 

Met behulp van de gegevens uit de bodemonderzoeken kan de veiligheidsklasse van de aangetoonde bodemverontreiniging worden bepaald. Hierbij wordt gelet op de toxiciteit en brandbaarheid van de aangetroffen bodemverontreiniging. De toxiciteit van de verontreiniging wordt uitgedrukt in de T-klasse (1T, 2T en 3T), waarbij 3T staat voor de zwaarste verontreiniging. Voor het bepalen van de brandbaarheid wordt de F-klasse bepaald. Hierbij hebben we 1F en 2F waarbij 2F voor het grootste  risico staat.

 

Een deskundige wordt ingezet om de veiligheidsklasse te valideren. Het is afhankelijk van het type bodemverontreiniging welke deskundige kan worden ingezet. Zo kan bij veiligheidsklasse 1T en 2T en 1F een middelbaar veiligheidskundige (MVK) de veiligheidsklasse valideren. Als de verontreiniging wordt ingeschaald in 3T en 2F is de vereiste validatie van een hoger veiligheidskundige (HVK) (of arbeidshygiënist) noodzakelijk.

 

Naast de inzet van de deskundige dient ook te worden voldaan aan andere aspecten zoals het opstellen (en toetsen) van een veiligheids- & gezondheidsplan (V&G plan), het verzorgen van de medische geschiktheid van de in te zetten medewerkers, voorlichting en instructie. De medische keuring dient jaarlijks herhaald te worden en is afgestemd op de mate van blootstelling en de mogelijk te dragen adembescherming. Als dat allemaal verzorgd is, wordt nagegaan of het uitvoeren van luchtkwaliteitsmetingen noodzakelijk is. Hiervoor stelt de deskundige - indien noodzakelijk - een meetplan op.

 

De uitvoerende werkzaamheden

Zodra alle voorbereidende werkzaamheden zijn uitgevoerd en wordt overgegaan tot de uitvoering dient de projectlocatie afgeschermd te worden. De verontreinigde zone wordt afgescheiden van de schone zone door middel van hekwerken. Medewerkers betreden de locatie via de sanitaire-unit, bestaande uit een schone zone, douchezone en vuile zone. Het materieel dat is ingezet voor de werkzaamheden mag de locatie alleen verlaten nadat deze is gereinigd op een wasplaats. Dat geldt ook voor de vrachtwagens die de verontreinigde grond afvoeren naar een erkend verwerker of acceptant. Op de wasplaats wordt het materieel ontdaan van de verontreinigde grond door het materieel schoon te spuiten. Voor de medewerkers heet dit de decontaminatie-procedure.

DLP-er

Naast de sanitaire-unit en de wasplaats is op de saneringslocatie ook een schaft en/of directiekeet aanwezig. Hier doet de uitvoerder - die vaak ook DLP-opgeleid is – zijn werk. Een DLP-er (Deskundig Leidinggevende Projecten) ziet erop toe dat er gedurende het gehele project veilig gewerkt wordt. Hij/zij is bij wat zwaardere saneringen als het ware de oren en ogen van de deskundige (MVK/HVK). De DLP-er houdt onder andere het logboek bij, voert luchtkwaliteitsmetingen uit en heeft (minimaal wekelijks) contact met de deskundige. Als vreemde geuren worden waargenomen of als de actiewaarde wordt overschreden neemt de DLP-er contact op met de deskundige. Een belangrijke taak dus. Opgemerkt moet worden dat het waarnemen van geuren betrekkelijk is. Daarnaast is actieve geurwaarneming (ruiken aan de grond) verboden. Hiervoor dienen meetinstrumenten, zoals een PID-meter, te worden ingezet.

 

Om medewerkers, met name machinisten in machines, tegen de blootstelling aan verontreiniging te beschermen, is materieel voorzien van een filteroverdruksysteem met de juiste filters, die aan diverse eisen moeten voldoen. Zo moet er een minimale overdruk en een bepaalde luchtopbrengst zijn om ervoor te zorgen dat de cabine waarin een machinist zich bevindt, wordt voorzien van verse lucht, zodat er geen verontreinigende stoffen de cabine kunnen binnendringen. Daarom zijn ramen en deuren gesloten tijdens de werkzaamheden in de verontreinigde zone.

Het filteroverdruksysteem is voorzien van een filter, afhankelijk van het type verontreiniging waarmee de machine werkt. De filters kunnen bestaan uit alleen een stoffilter (aangeduid met een P van Particle, wat deeltje betekent) of actieve koolfilters voor het afvangen van bepaalde gassen en dampen. De actief koolfilters zijn er in diverse samenstellingen, aangepast aan het type verontreiniging waarmee gewerkt wordt. De levensduur van filters is afhankelijk van de concentraties waarmee gewerkt wordt in combinatie met de luchtvochtigheid. Het uitvoeren van metingen in de cabine is noodzakelijk om aan te tonen dat de filteroverdrukinstallatie zijn werk naar behoren uitvoert. Op basis van geur of meetwaardes wordt bepaald wanneer de filters dienen te worden vervangen. Indien er geen metingen worden uitvoert en geen geurdoorslag waargenomen wordt, worden de actiefkoolfilters in ieder geval na dertien weken vervangen.

 

Het wisselen van de filters gebeurt door medewerkers die zichzelf beschermen met persoonlijke beschermingsmiddelen. Dit zijn dezelfde beschermingsmiddelen als binnen de verontreinigde zone worden gedragen.

 

 

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Het pakket aan persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) is ook afgestemd op de aanwezige verontreiniging. Een PBM-pakket bestaat minimaal uit een overall (dicht geweven katoen of wegwerp) werkhandschoenen, veiligheidslaarzen (geen veiligheidsschoenen) en zo nodig hoofd-, gelaat en gehoorbescherming. De typen overall en handschoenen zijn ook hier weer afgestemd op het type verontreiniging waarin gewerkt wordt en het type werkzaamheden die worden uitgevoerd. Zo zal iemand die de wasplaats bedient – en dus in contact kan komen met aerosolen (nevels) en druppels (verontreinigd) water - een vloeistofdichte (wegwerp) overall en een gelaatsscherm dragen (eventueel aangevuld met adembescherming). Terwijl een grondwerker die in bodemverontreiniging met nikkel werkt in een katoenen overall zijn werk kan doen zonder gebruik te hoeven maken van adembescherming. De te nemen veiligheidsmaatregelen zijn dus afhankelijk van de situatie, type verontreiniging, de uit te voeren werkzaamheden en omgeving waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. In het ‘slechtste geval’ dienen de werkzaamheden in een vloeistofdichte saneringsoverall (of gaspak) te worden uitgevoerd waarbij volledig gecoate handschoenen gedragen worden met omgevingslucht onafhankelijke adembescherming. Let wel, medewerkers moeten wel een training hebben gevolgd om deze vorm van adembescherming toe te kunnen passen.

 

Medewerkers die dergelijke werkzaamheden uitvoeren (denk aan saneringen van gasfabrieksterreinen en benzinestations) zijn waarschijnlijk blij met de werk- en rusttijdenwetgeving waarbij maximaal twee uur achtereen mag worden gewerkt afgewisseld met één uur rust. Het werken met dergelijke persoonlijke beschermingsmiddelen is dermate zwaar dat bij afwijkende temperaturen en (extreem) zware werkzaamheden de werktijden dienen te worden verkort.

 

Conclusie

Afhankelijk van de locatie, aard, mate en omvang van de verontreiniging is het treffen van een scala aan maatregelen noodzakelijk om veilig te kunnen werken in verontreinigde grond. Goed onderzoek en een goede voorbereiding leveren in de uitvoering de minste risico’s op voor werknemers om te worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen en daardoor de minste risico’s op gezondheidsletsel.

 

Bronnen

Arbeidsomstandighedenwet

CROW 132, december 2008

www.arbouw.nl

www.CROW.nl