Moet veiligheid concurreren met kwaliteit, kosten en snelheid?
Bij veel aankopen, opdrachten, projecten en dergelijke wordt dikwijls met de volgende driedeling gewerkt: kwaliteit, tijd en geld. Iedereen wil het liefst een hoge kwaliteit voor zo min mogelijk geld en in een zo kort mogelijke tijd.
Maar deze eis is niet realistisch. We kunnen bijna altijd slechts in twee van de drie zaken onze zin krijgen.
De varianten waaruit we kunnen kiezen zijn:
- Hoge kwaliteit en levering in korte tijd, maar dan tegen hoge prijs.
- Hoge kwaliteit en lage prijs, maar dan vertraagde levering (bij projecten wordt de klus dan als opvulklus gebruikt tussen andere projecten door).
- Zeer snel en goedkoop, maar dan met een lage kwaliteit.
Communicerende vaten
Op een van de drie zaken moet dus vaak ingeleverd worden. Feitelijk geldt de wet van de communicerende vaten. Niet in alle drie de buizen kan het vloeistofniveau hoog staan. Als in twee buisjes het niveau hoog moet staat, gaat dat ten koste van het niveau van de vloeistof in de derde buis.
Nu voegen we veiligheid toe. Dan ontstaat een vierdeling. Mensen die menen dat altijd ‘Veiligheid eerst/Safety first’ geldt of ‘we doen het veilig of we doen het niet’, zullen een vierde buis naast de eerste drie buizen installeren, maar die niet verbinden met de andere drie en zorgen dat het vloeistofniveau in deze vierde buis zeer hoog staat. Over de veiligheid kan niet worden onderhandeld, vinden zij.
In de praktijk
De werkelijkheid is vaak anders. Als het werk snel gedaan moet worden, gaat dat vaak ten koste va de veiligheid. Helaas blijkt dit ook uit veel ongevalsanalyses (dat zijn de bewezen risico’s): het moest even snel en de veiligheid werd even aan de kant geschoven.
Ook bij de aanschaf van materialen en machines wordt niet altijd veiligheid voorop gesteld. Veelal wordt bij de keuze vooral gelet op de prijs/kwaliteitsverhouding. Een voorbeeld uit de praktijk:
Door een bedrijf werd een machine gekocht. Daarbij werd vooral op de prijs en de kwaliteit gelet.
Na installatie bleek de machine veel geluid te maken. Aanpassingen werden gedaan om het geluidsniveau te reduceren: extra omkastingsplaten met geluidwerend materiaal, de ruimte werd voorzien van soundbaffles aan plafond en wanden om het indirecte geluid te dempen en de draaisnelheid werd teruggeschroefd om de geluidsproductie te verminderen.
Omdat dat nog onvoldoende geluidsreductie opleverde, moesten de medewerkers constant gehoorbescherming dragen en werd hen ieder jaar een audiometrisch onderzoek aangeboden. Al met al een flinke extra kostenpost en veel gedoe.
De machine bleek bovendien veel gevaarlijke stoffen uit te stoten. Die moesten worden afgevangen. In de betreffende ruimte was echter geen afzuiging aanwezig. Daarom moest een apart luchtafvoerkanaal getrokken worden tot boven het dak van een hoog gebouw. Totale meerkosten van alles: ruim 150 duizend euro.
Dus prijs en kwaliteit werden vooraf als goed beoordeeld, maar door de later benodigde extra maatregelen om voldoende veiligheid te verkrijgen, vlogen de kosten de pan uit.
Concurrenten
In de bouw wordt vaak met deadlines gewerkt. Als die niet gehaald dreigen te worden, is het heel verleidelijk (en dan gebeurt het ook) dat veiligheid minder aandacht krijgt: steigers worden dan minder of niet geborgd, lototo-procedures worden niet meer gehanteerd, vergunningsvoorwaardes worden minder strak ingevuld, persoonlijke beschermingsmiddelen dan niet voldoende gedragen en ga maar door. De factor tijd is dan alles doorslaggevend.
Veiligheid moet ook vaak concurreren met de kosten. Preventieve veiligheidsvoorzieningen kosten geld: meer beschermkappen, meer interlocksystemen, soms dure adembeschermings-apparatuur, procedures, veiligheidstrainingen, vergunningen, controles, toezicht, HSE-of preventiemedewerkers, en zo verder. Bij menig bouw- en renovatieproject wordt als de kosten van het geheel tegenvallen (en wanneer is dat niet het geval?) veiligheid vaak als sluitpost dient.
De werkelijkheid is echter dat elke euro die in preventieve zin aan arbo besteed wordt op lange termijn 2,6 euro oplevert. Maar ja, op lange termijn. En daarbij geldt helaas vaak: de kost gaat voor de baat uit.
Dus blijft het bij de driedeling kwaliteit, tijd en geld, waarbij veiligheid als een daarvan losstaand criterium wordt gezien dat niet onderhandelbaar is? Of voegen we veiligheid als vierde criterium toe aan het stelsel communicerende vaten, waarbij we door de hoogte van het verbindingsstuk een bepaald minimaal veiligheidsniveau garanderen?
Vaak is er al een vanzelfsprekende koppeling tussen de buizen kwaliteit en veiligheid. Een voorbeeld: wanneer in een microbiologisch laboratorium gewerkt wordt, gaat hoge kwaliteit samen met een grote mate van veiligheid. Omgekeerd gaat daar slordig werken (lage kwaliteit) direct samen met meer onveiligheid. Zo zit er ook een koppeling tussen voedselveiligheid en kwaliteit.
Koppeling met veiligheid
In genoemde beeldspraak van de communicerende vaten kan dan de vierde buis wel met de andere drie buizen worden gekoppeld. Als men daarbij altijd minimaal aan het wettelijk minimum qua veiligheid wil voldoen, regelt men dit door het koppelstuk tussen de buis veiligheid en de andere drie buizen niet helemaal onderaan de buis, maar wat hoger te positioneren.
De buis veiligheid kan daardoor niet helemaal leeg getrokken worden als het niveau in de andere drie buizen verhoogd wordt. Maar boven dat minimum dingt het niveau in de buis veiligheid wel communicerend mee met het niveau in de andere drie buizen.
Ook kan de veiligheidsbuis veel breder worden uitgevoerd of worden voorzien van een terugslagklep.
Als arboadviseurs moeten we met deze vier factoren rekening houden in onze advisering.