Gezondheid van brandweermensen op lange termijn

Print
Gevaarlijke stoffen
Recentelijk zijn er berichten verschenen over de gezondheidsrisico’s van brandweermensen op langere termijn door blootstelling aan schadelijke rookgassen (stoffen en dampen) tijdens en na oefeningen en daadwerkelijke repressieve inzetten. In de internationale literatuur wordt zelfs gesproken over een substantiële verkorting van de verwachte levensduur met acht jaar. Deze berichtgeving heeft bij de brandweerkorpsen in Nederland voor behoorlijke onrust gezorgd.

Deze onrust is zeer begrijpelijk. Duidelijk is dat brandweermensen vergeleken met veel andere beroepen grotere risico’s lopen. Brandweermensen gaan immers juist naar situaties toe waar anderen vandaan vluchten. Dit geldt ook voor politiemensen die de brandweer assisteren door het afzetten van de omgeving van het brandende object. Vanuit de brandweer worden zij niet zonder reden soms spottend ‘de blauwe meetbuisjes’ genoemd

Scala aan chemische stoffen
Bij alle branden ontstaan gevaarlijke stoffen. Altijd is sprake van onvolledige verbranding en zullen stoffen als fijnstof, roet en het zeer giftige koolmonoxide en tal van pyrolyseproducten door de ontledingsreacties vrijkomen. Bij de onvolledige verbrandingen zullen tal van vervelende verbrandingsproducten ontstaan en vrijkomen, zoals organische stoffen als benzeen, tolueen, xyleen, formaldehyde, acroleïne, fosgeen, methyleenchloride, perchloorethyleen, trichloorethyleen en andere gehalogeneerde verbindingen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), dioxines, stoffen als kristallijne (kwarts) en niet-kristallijne silica, glaswol, asbest, silicaten e.d. Ook kunnen zware metalen als antimoon, cadmium, lood en uranium vrijkomen, deels afhankelijk van welke materialen en kunststoffen in de brandende objecten zitten. Kortom bij repressie en oefeningen kan de brandweerman een heel scala aan chemische stoffen verwachten.

Het ontstaan van branden is niet helemaal te voorkomen. Hoe goed het preventiebeleid ook is, de kans op het ontstaan van branden zal immers nooit nul worden. Vervolgens zullen bij de branden altijd onvolledige verbrandingsprocessen optreden. Bij het gecontroleerd laten uitbranden kunnen dat zelfs langdurige processen zijn en bijgevolg kan dan een veel grotere massa schadelijke verbrandingsproducten in de omgeving vrijkomen. Deze zullen veelal in de directe omgeving van het brandende object voor blootstelling zorgen voor de daar aanwezige personen, waaronder uiteraard de brandweer (en politie). Bij die inzetten draagt de brandweer onafhankelijke adembescherming en beschermende kleding. Maar zoals aan het begin van dit artikel is beschreven, bieden die mogelijk onvoldoende bescherming.

Blootstelling via de huid
Nu worden op verschillende plaatsen meetplannen opgesteld om de blootstelling van brandweermensen en hun instructeurs nader in kaart te brengen. Hierbij kan gekeken worden naar de blootstelling via de lucht. Interessant blijkt ook de blootstelling via de huid te zijn van de stoffen die door de beschermende kleding heen dringen en daar dan door de huid worden opgenomen. Daarbij kan urineonderzoek en bloedonderzoek nuttige informatie opleveren. Ook goed is het om na te gaan hoe effectief de wasprocessen zijn om die stoffen uit de kleding te krijgen en of er sprake kan zijn van kruisbesmetting in de brandweerwagens.

Valkuilen
Een valkuil bij deze werkwijze is echter dat vervolgens die meetresultaten vergeleken worden met de grenswaarden van de afzonderlijke stoffen en dat op basis daarvan conclusies worden getrokken of de situatie acceptabel is of niet. Dit is een valkuil omdat door deze werkwijze geen rekening wordt gehouden met de betrekkelijkheid van die grenswaarden, waarmee de gevonden waarden worden vergeleken. Zaken als synergie-effecten van verschillende stoffen (waarbij de schadelijke werking van de ene stof versterkt wordt door de aanwezigheid van andere stoffen), de grotere opnamesnelheid door de grotere fysiek inspanning van de brandweermensen (snellere ademhaling en grotere doorbloeding van de huid door de warmte), de betrekkelijkheid van grenswaarden zelf worden niet meegenomen.

Praktische maatregelen
Is het niet interessanter om in plaats van heel veel moeite en geld te steken in het in kaart brengen van de blootstelling, praktische maatregelen te nemen om de blootstelling zoveel mogelijk te voorkomen of te minimaliseren?

Hieronder volgen enkele voorbeelden van mogelijke praktische maatregelen die direct tot vermindering van de blootstelling kunnen leiden.

Adembescherming langer ophouden
Bij een aantal brandoefeningen wordt gewerkt in een bunker waar diverse inzetten worden getraind. De praktijk is dat binnen zeer korte tijd (30 seconden) nadat de manschappen de bunker verlaten hebben, de adembescherming al wordt afgedaan. Men blijft dan veelal enkele meters voor de deur praten. Vervolgens kunnen de rookgassen vanuit de kleding en vanuit de vaak dan nog openstaande deur van de oefenbunker worden ingeademd.

Beter zou zijn om direct na het verlaten van de oefenbunker veel verder van de bunker te gaan staan (bovenwinds), daar eerst nog enkele minuten de adembescherming te blijven dragen. In die tijd kan de kleding nog even goed uitwasemen/uitdampen. Door dan de adembescherming nog even op te houden, wordt voorkomen dat grote blootstelling plaatsvindt. Snel de nekflappen uittrekken om daarmee te voorkómen dat dampen vanuit die nekflappen (dicht in de ademzone) worden ingeademd. Zorgen dat de oefenbunker op voldoende onderdruk staat, de deuren zo veel mogelijk gesloten worden gehouden en de rookgassen voordat zij in de open lucht worden uitgestoten, zuiveren. Om te voorkomen dat rook via de toegang naar buiten ontsnapt, kan bij de deuren met sluizen (op onderdruk) worden gewerkt.

Als er geen zuivering van gassen plaatsvindt, dan bij windstil weer en mist, geen oefeningen houden. Immers dan vindt boven de oefenbunker onvoldoende verspreiding plaats van de uitgestoten gassen. Dit tenzij er voldoende zuivering plaatsvindt voordat rook, dampen en gassen worden uitgestoten.

‘Schone’ verbrandingsmaterialen gebruiken
Op de oefenlocaties kan zoveel mogelijk met relatief schone materialen worden gewerkt. Dus geen kunststoffen, vloerbedekking, polyurethanen, PIR, PVC-buizen, rubbers, autobanden, maar ongeverfd vurenhout of gasbranders. Door aan de bron al met relatief schone materialen te werken komen bij de pyrolyse en de verbranding ook minder  gevaarlijke stoffen vrij. Wat blijft zijn koolmonoxide, roetdeeltjes, mogelijk stikstofoxides, enz. Bij de werkelijke inzetten op locaties is daarin uiteraard geen keuze. Behalve bij grote chemische plants waar op basis van de bekendheid met de aanwezige stoffen vooraf besloten kan worden geen inzet te plegen anders dan de omgeving te beschermen en verder gepaste afstand te houden.

Omkleedfaciliteiten
Als er op de oefenlocatie kledingfaciliteiten zijn:

  • Snel de kleding uitdoen en deze in een aparte ruimte ophangen. In die kleedruimte voor de vuile kleding, mag geen andere kleding hangen, ook niet de schone kleding of privékleding.
  • Deze kleedruimte voorzien van een lichte onderdruk, waardoor de vrijkomende dampen direct naar buiten worden afgevoerd en zich niet via de gang of anderszins naar andere ruimtes in het gebouw kunnen verspreiden.
  • Zorgen dat de nekflappen frequent gewassen worden.
  • Bij voorkeur ook de onderkleding verwijderen omdat door het pak heen ook rookgassen diffunderen en aan de onderkleding blijven hangen en zo via de huid kunnen binnenkomen in het lichaam.
  • Op de oefenlocatie douchen en schone kleding inclusief nieuwe onderkleding aantrekken.
  • Zorgen dat de kleding- en douchefaciliteit voldoende ver van de oefenbunker afstaat om verontreiniging vanuit de oefenbunker te voorkomen.

Bij brandende objecten
Wanneer men uit de brandende objecten naar buiten komt, dezelfde werkwijze hanteren als bij de oefenlocaties. Buiten voldoende afstand houden van het brandende object en zoveel mogelijk bovenwinds blijven. Dit geldt wanneer mogelijk ook voor de brandweervoertuigen. Van voertuigen de portiers en ramen zoveel mogelijk gesloten houden om vervuiling van buitenaf met rookgassen te voorkomen. Bij terugkomst in de kazerne dezelfde werkwijze hanteren als op de locaties met kledingfaciliteiten. Frequent de brandweerwagens grondig reinigen. Zo veel mogelijk voorkomen dat kleding (en ondergoed) mee naar huis worden genomen. 

Borging
Om deze werkwijzen te borgen, zou vanuit de bevelvoerder of de officier van dienst hierop moeten worden toegezien. 

Risico-inventarisatie & –evaluatie
De brandweer kan in de (warme) RI&E al bij deze factoren stilstaan en deze in kaart brengen. Op basis van de bevindingen kunnen dan in het plan van aanpak verbetermaatregelen worden opgenomen om de blootstelling te reduceren. Hierbij kan horen dat regelmatig controlemetingen worden uitgevoerd om zicht te houden op de blootstelling. Op basis van die metingen kan dan besloten worden de situatie zo te laten dan wel aanvullende maatregelen te nemen. Ook kan er voor gekozen worden periodiek de medewerkers van de repressieve dienst te controleren op opname van stoffen (bijvoorbeeld PAK’s en koolmonoxide) met behulp van biologische monitoring. Uiteraard worden deze gegevens wel goed vastgelegd om zo de blootstelling in de tijd te kunnen volgen.

Aanvullende richtlijn
Recentelijk is door Brandweer Nederland de volgende richtlijn hierover uitgebracht: “Schoon werken bij brand; een landelijke richtlijn om voor, tijdens en na brand schoner te werken" versie 1.0 datum 28 oktober 2015. Deze geeft in algemene zin nog aanvullende richtlijnen om de blootstelling te reduceren.  

Voor meer informatie over gevaarlijke stoffen zie Brandweerinterventieboek Gevaarlijke Stoffen. 

 

Gevaarlijke stoffen brandweer
Brandweerinterventieboek Gevaarlijke Stoffen

Het Brandweerinterventieboek Gevaarlijke Stoffen bevat meer dan 1000 interventiekaarten voor de meest voorkomende stoffen. Voor iedere stof is de structuurformule rechtsboven te vinden en wordt de reukgrens in het rood weergegeven indien deze hoger is dan de grenswaarde.
Meer informatie >>